Analyse en Meetmethoden Allergenen

Analyses kunnen worden uitgevoerd om grondstoffen of het eigen productieproces te controleren op aanwezigheid van allergenen. Het gaat dan met name om de vraag of mogelijk kruisbesmetting is opgetreden en of de aanwezige hoeveelheid allergeen aanleiding kan geven tot gezondheidsklachten. Ook kan een controle van de effectiviteit van het reinigingsproces gewenst zijn. Het is echter wel belangrijk om de juiste methode te kiezen en de juiste plaatsen of producten te bemonsteren (worst-case scenario – grootste ‘pakkans’ bepalen). Daarnaast is ook de standaardisatie van de analysemethode van belang. Zijn er goede referentiematerialen en zijn testen goed vergelijkbaar? Er zijn door de European Committee for Standardisation wel ISO-normen gepubliceerd, maar deze worden in de praktijk niet altijd toegepast door laboratoria en producenten van testsystemen. Accreditatie is pas mogelijk wanneer er minimaal 500 monsters per jaar van een bepaald allergeen worden onderzocht. In dit artikel bespreken we een aantal algemene aandachtpunten, veel toegepaste analysemethoden, de omstandigheden waaronder ze gebruikt worden en de voor- en nadelen.

  • Onderzoek de meest risicovolle situaties (bijvoorbeeld eerste product na een risicovolle productwissel; moeilijk reinigbare plaatsen; plaatsen waar de kans op kruisbesmetting hoog is zoals bij het storten van grondstoffen op kleding van personeel).
  • Het aantal te onderzoeken monsters is niet in wetgeving vastgelegd en mede afhankelijk van de omstandigheden. Bij allergeen-vrij claims is meer onderzoek nodig dan wanneer er geen claim gevoerd wordt. Hoe lager de onderzoeksfrequentie, hoe groter de partij die mogelijk teruggehaald moet worden op het moment dat er een probleem wordt geconstateerd.
  • De samenstelling van het product heeft mogelijk invloed op het analyseresultaat. Vette producten en chocolade zijn bijvoorbeeld vaak moeilijk te analyseren. Ook hele zoute of zure producten zijn lastig. Bij producten met polyfenolen (bessen, cacao, thee, popcorn) is een speciale extractieprocedure nodig. Reinigingsmiddelen kunnen verstorend werken bij bijvoorbeeld analyse van spoelwater. Additieven bevatten vaak nauwelijks eiwit.
  • Verhitting van eiwitten (bijvoorbeeld  van ei/soja/schaaldieren) kan verstorend werken op de analyse (vooral bij PCR). Daardoor zijn gefrituurde, gebakken of geroosterde producten niet altijd geschikt. Ze leveren vals-negatieve resultaten op. Sommige testen kunnen alleen rauw ei detecteren.
  • Er kunnen kruisreacties optreden tussen verschillende eiwitten waardoor vals positieve resultaten worden verkregen. Voorbeelden daarvan zijn kruisreacties tussen verschillende noten zoals hazelnoot, walnoot, cashewnoot, paranoot en pecannoot  of tussen amandel en abrikozenpitten of tussen mosterd en raapzaad. Ook selderij is moeilijk te bepalen omdat er vaak kruisreacties optreden.
  • Bewerkte soja is een lastig allergeen; het geeft vaak vals-negatieve resultaten
  • Denk bij analyse op melkeiwit goed na op welk eiwit getest moet worden (caseïne of bèta-lactoglobuline). Wil je bijvoorbeeld wei onderzoeken dan is caseïne niet geschikt omdat dit eiwit bijna niet in wei voorkomt. Ook lactose is niet geschikt als indicator voor aanwezigheid van melk. De detectielimiet voor lactose is te hoog (100 tot 1000 ppm) waardoor het niet mogelijk is om de kritische limiet van 0,5 tot 20 ppm melk (afhankelijk van de portiegrootte) vast te stellen.
  • Men onderscheid kwalitatieve testen (bepalen aan- of afwezigheid van allergeen) en kwantitatieve testen (bepalen hoeveel allergeen er aanwezig is).
  • Testen zijn gericht op lage concentraties. Ze zijn dus niet geschikt om bijvoorbeeld de afname van een allergeen door de tijd te meten. Je kan maximaal met een factor 4 of 5 verdunnen, anders krijg je grote afwijkingen. Als de te verwachten concentraties allergeen hoog zijn (> 800 ppm) is een berekening met behulp van eiwitconcentratie en samenstelling nauwkeuriger dan een meting.
  • Let er op dat uitslagen in de juiste meeteenheden (mg allergeen eiwit per kg product) worden weergegeven, dat de gebruikte methode en de detectielimiet van deze methode bekend zijn, dat bekend is wat de meetonzekerheid van de gebruikte methode is. Stuur de eerste keer bij voorkeur een positieve en een negatieve controle mee voor validatie (vaststellen of er geen vals positieve of vals negatieve resultaten uitkomen).
  • Limit of Detection (LOD) is detectiegrens. Als concentratie = LOD dan is er ongeveer 50% kans op vals negatieve uitslagen. De detectiegrens ligt vaak rond de 1 tot 5 ppm. Limit of Quantification (LOQ) is aantoonbaarheidsgrens. LOQ = 2 of 3 x LOD. Als concentratie = LOQ dan is er vrijwel geen kans op vals negatieve uitslagen. De LOD is mede afhankelijk van het soort product waarin de analyse plaats moet vinden (voedselmatrix). De Range of Quantification (ROQ) is dat deel van de ijklijn waarmee een betrouwbare uitspraak over de gemeten hoeveelheid allergeen gegeven kan worden.
  • Niet alleen de gevoeligheid van een meetmethode (detectielimiet) is belangrijk, ook de specificiteit (wordt alleen het te bepalen allergeen gemeten).

Deze vindt u als bijlage bij het artikel.